Ons bindt de vriendschap en de wijn brengt ons vreugde

Overpeinzingen in de Nederlandse wijngaard

Overpeinzingen in de Nederlandse wijngaard

Na het mooie en droge voorjaar, met het snel uitlopen van alle gewassen, zitten we nu alweer een poosje met nogal nat en koel weer. Het kan verkeren.
In de wijngaard zitten we nu meer te wachten op mooi stabiel nazomerweer, anders bestaat de kans dat de oogst gaat tegenvallen.
Iedere wijngaardenier heeft zo zijn eigen manier van aanleg en onderhoud, en voor al die manieren zijn goede argumenten te geven. Toch is het goed om eens een paar populaire onderwerpen kritisch te bekijken.
Trek uw eigen conclusies.

Algemeen

Druiven zijn snelgoeiende planten die het over het algemeen goed doen in een gematigd klimaat met een gemiddelde jaartemperatuur van 10 à 12°C en een groeiseizoen van 6 à 7 maanden. De druif zal zich gunstig ontwikkelen wanneer na een vroeg voorjaar een lange, warme en overwegend droge zomer volgt en een milde herfst, waarin zowel de druiven als het hout goed kunnen afrijpen. Gedurende de periode dat de bessen afrijpen (juli tot september) is een gemiddelde temperatuur van 19 tot 24°C ideaal. Het weer in juli is bepalend voor de grootte van de oogst en september bepaalt de kwaliteit ervan.
Zover enige algemeenheden.
Kunnen we de natuur wellicht een handje helpen?

Aanplant

Bij het planten van onze druiven hebben we soms niet al te veel keuzemogelijkheden. We hebben een stuk grond en dat is het. Als er wel veel ruimte is, moeten er keuzes gemaakt worden. Meestal worden de druiven in rijen geplant. Gemakkelijk voor onderhoud en mechanische bewerking van de bodem en eventueel ook van de druivenplanten. Vaak wordt aangeraden om de rijen in een noord-zuid richting te planten. Dit met als argument dat de druiven dan aan alle zijden evenveel zon krijgen. Een nadeel is dat bij ons de wind meestal uit het zuidwesten waait en dat het ook nog wel eens wil regenen. Bij noord-zuid geplante rijen komt de wind die een grote invloed heeft bij het drogen van onze natgeregende druiven een ’groene druivenhaag’ tegen, waardoor het in het midden van de wijngaard relatief lang vochtig blijft. Als we verder bedenken dat de hoogste dagtemperaturen meestal bereikt worden rond een uur of twee, drie in de middag, als de zon in het zuidwesten staat, dan zou het wel eens raadzaam kunnen zijn om de druiven in zuidwest-noordoost lopende rijen aan te planten. En, let eens op: tegen de avond wordt het meestal een stuk zonniger dan overdag. Deze rijen genieten dus ook nog van de avondzon.


Door aan de west- en oostzijde van de wijngaard gaas te spannen dat de wind breekt, of liever nog een haag te maken van bomen, zoals knotwilgen of populieren om de wind te breken, gaat de wind over de druiven heen en ontstaat in de wijngaard een microklimaat met als gevolg een minder snelle afkoeling en minder kans op nachtvorstschade in het voorjaar. Iedere meter hoogte van de bomenhaag beschermt een stuk grond dat globaal 10 keer zo breed is. Dus een haag van 5 meter hoog beschermt een strook grond van 50 meter. Natuurlijk moet de haag altijd hoger zijn dan de hoogte van de druiven.

Wintersnoei

Over het snoeien van druiven en de diverse snoeivormen is al veel geschreven. Snoeien is nodig om de al te weelderige groei van de druif in te dammen en te zorgen voor een plant die optimaal in staat is om gezond te blijven en vrucht te dragen. De in ons land meest gebruikte geleidingsvormen in de wijngaard zijn guyot (enkel of dubbel, vlak of gebogen) en cordon, waarbij de nieuwe uitlopers zoveel mogelijk tussen horizontaal gespannen draden omhoog worden geleid, zodat er een ‘haag’ van druiven ontstaat. Andere snoeivormen, zoals gordijn-, boog-, paal- of waaiervormig worden wel in siertuinen en langs muren toegepast. Snoeimethoden die we tegenkomen in warme landen als Spanje, Griekenland, Portugal en Italië zijn in ons land eigenlijk niet toepasbaar, eenvoudig omdat het bij ons niet warm genoeg en veel natter is.
Belangrijk is, dat bij de snoei in de winter (december – februari) de wijngaard goed wordt schoongemaakt van snoeiafval en oud blad. Deze kunnen namelijk sporen bevatten van schimmels, bacteriën en gisten die wij liever niet tegenkomen en ons in het volgende seizoen parten kunnen spelen. De meest radicale en beste oplossing is om al deze rommel te verbranden. De as kan weer als meststof worden gebruikt!

Bodembewerking en bemesting

Ga eens kijken in een willekeurige wijngaard in Nederland en een in het buitenland. Wat valt dan vaak op? In Nederland is de bodem meestal begroeid met grassen en planten die in het voorjaar bloeien. In het buitenland is de bodem vaak ’zwart’: onbegroeid.
Zon en warmte zijn in ons land belangrijke factoren die de kwaliteit van de oogst beïnvloeden. Veel warmte en zonlicht zorgen voor een snellere rijping, en dat is in ons klimaat met nogal vochtige en koele dagen in het najaar een pré.
Wat zijn de voordelen van een ’ondergroei’ van grassen en bloemen in de wijngaard? Waar deze zijn is een goed bodemleven en wordt op natuurlijke manier maai-afval omgezet in voedingsstoffen. Gras en groen zijn vooral gemakkelijk voor het onderhoud van de wijngaard. Met de maaier er tussendoor en het ziet er weer gelikt uit. En dat moet, want de wijnbouw in Nederland moet het toch vaak hebben van het agrotoerisme.
Een ’zwarte’ bodem in de wijngaard heeft wel voordelen: neerslag komt meer ten goede aan de druiven, de bodem droogt sneller en warmt aanmerkelijk beter op dan een grassige ondergrond. Door de warme bodem zal er minder kans zijn op vorstschade in het voorjaar, de druif zal eerder uitlopen en in de nazomer en het najaar zal tijdens de periode dat de druiven rijpen de vochtigheid van nachtelijke dauw en neerslag in de wijngaard overdag eerder verdampen, waardoor de kans op infecties vermindert.
Natuurlijk hebben onze druiven voeding nodig.

Er is ooit berekend dat een hectare (10.000 m2) druiven jaarlijks de volgende hoeveelheid aan voedingsstoffen aan de bodem onttrekken:

  • 90 – 120 kg stikstof (N)
  • 15 – 20 kg fosfor (P)
  • 100 – 125 kg kali (K)
  • 115 – 135 kg kalk (Ca)
  • 30 – 40 kg magnesium (Mg)
  • en verder nog wat boor (B), zink (Zn), mangaan (Mn), koper (Cu) en molybdeen (Mo).

Al deze stoffen moeten dus ook weer aan de bodem worden toegevoegd om het volgend jaar weer een goede oogst te geven. Sterker nog: we moeten méér toevoegen, want door uitspoeling naar diepere bodemlagen gaat altijd een gedeelte van de voeding verloren.
Eén van de beste meststoffen die men in de wijngaard kan gebruiken (zo niet dè beste) is goed verteerde stalmest, die men in de winter onderwerkt. Stalmest zorgt voor humus dat in staat is om vocht langer vast te houden en de nodige voedingsstoffen. Lang niet iedereen zal hier echter over kunnen beschikken. Een goed alternatief is het gebruik van champignonmest of compost, aangevuld met kalk, thomasslakkenmeel en kali. Met name op wat zuurdere grond wordt hierdoor de pH verhoogd. Met het zaaien van groenbemesters zoals wikke, mosterd, raketblad, die ook in de winter worden ondergewerkt kan men ongeveer in de helft van de voedingsbehoefte van de druif voorzien. Het weer terugbrengen in de wijngaard van perspulp helpt natuurlijk ook om de voedingsbehoefte aan te vullen. Uiteraard kan door het gebruik van kunstmest en bladmeststoffen de nodige voeding aan onze druiven worden gegeven.
Wat wilt u als wijngaardenier? Ik houd het op een gezonde en snel drogende wijngaard. Een ander kiest voor minder onderhoudswerk aan de bodem en houdt het groen. Natuurlijk zijn er nog tussenwegen denkbaar.

Snoeien in het groeiseizoen

De laatste jaren wordt veel aandacht besteed aan het zgn. ’loofwandbeheer’. Waar in Spanje en Griekenland de druivenstokken vaak laag zijn en de ranken over de grond liggen, en waar in Portugal in de streek van de Vinho Verde de druiven hoog opgaand over een soort pergola worden gekweekt, met eronder allerlei tuinbouwgewassen, staan in de meeste landen de druiven keurig op een rij in hagen, waardoor mechanisatie van snoeien en oogst mogelijk is.
Als de druiven in het voorjaar uitlopen ontstaan ook op de stam veel uitlopers. Als we die hun gang laten gaan, krijgen we chaos. Deze uitlopers zullen sowieso geen vrucht dragen en er later voor zorgen dat de wind geen vrij spel meer heeft tussen de bodem en de druivenzône, waardoor het gewas na een bui niet snel zal drogen en gevoeliger wordt voor allerlei ziekten, met name meeldauw, valse meeldauw en botrytis. Met de hand wrijf je in het voorjaar snel de scheuten van de stam af. ’Stampoetsen’ noemt men dat.
De verticaal tussen draden geleide ranken zullen ons vaak letterlijk boven de kop groeien. Dat is meestal in de loop van juni het geval. Afhankelijk van het ras, maar in ieder geval ook door hun gewicht, gaan de ranken vroeger of later hangen en voor een hoop schaduw zorgen. Reden om de zaak te toppen op een hoogte van ca. 1.80 meter. De inmiddels meestal uitgebloeide trosjes hangen daarbij op ongeveer 1 m hoogte, dus blijft er ruim voldoende blad boven de trossen over. Ieder druivenras heeft zijn eigen groeiwijze, maar voor alle planten geldt: snoeien doet groeien. Als een tak eenmaal is ingekort, zullen in de bladoksels nieuwe scheuten ontstaan, en bij sommige rassen daarbij ook nieuwe bloemen, die we kunnen missen als kiespijn en dus moeten worden weggeknepen.
Blad is nodig voor de goede ontwikkeling van de plant en vruchten. We kunnen niet zonder. Onder invloed van licht en warmte worden suikers gevormd. Uit het koolzuurgas CO2 uit de lucht en water H2O dat via de plantenwortels in het blad terecht komt, maakt het blad suiker C5H10O5 en zuurstof O2. De zuurstof wordt weer door het blad aan de buitenlucht teruggegeven. Voor een optimaal verloop van dit assimilatie-proces hebben we liefst planten met jong en gezond blad. Door het snoeien van een uitloper vertakt deze en krijgen we dus meer nieuw blad. Dus meer suikers. Ontstaan er in de buurt van de druiventrossen in de bladoksels nieuwe scheuten, dan kunnen deze het beste worden weggebroken en wordt door uitlopers de rest van de druivenhaag te dik, omdat de uitlopers vaak niet omhoog maar zijwaarts gaan, dan kan dit eenvoudig met een heggenschaar worden bijgesnoeid. Als maar niet al het nieuwe blad wordt verwijderd en omhooggaande uitlopers weer de kans krijgen om verder te groeien totdat ze weer omknikken. Dan toppen we op ca. 2.20 m hoogte.
Het is bewezen dat bladeren onderin de plant voornamelijk verantwoordelijk zijn voor de vorming en voeding van de druiventros vormen en dat bladeren bovenin zorgen voor een goede houtafrijping en knopvorming voor het volgende jaar.
De bladeren die in het voorjaar het eerste aan de plant verschenen en die in de troszône zitten, verliezen automatisch als eerste hun functie en veel planten laten het tegen het einde van augustus ook vallen, waardoor de druiven automatisch vrij komen te hangen.
Eind augustus valt de groei van het hout geleidelijk stil en toppen we nogmaals, waarna we met netten de rijpende trossen kunnen beschermen tegen onze gevleugelde vrienden.

Wel of niet ontbladeren in de troszône?

Geleerden zijn het er over eens: ontbladeren heeft invloed.
Zoals hiervoor vermeld, heeft blad in de troszône een functie ten aanzien van de ontwikkeling van de druiventros van bloem tot druif.
Halen we blad weg voordat de druif gaat bloeien, dan zullen zich minder bessen ontwikkelen. Mogelijk gaat de plant nieuwe scheuten in de troszône ontwikkelen, die we dan eventueel later weer moeten verwijderen.
Verwijderen we het blad rond de trossen rond eind juli, dan worden de druivenschillen door de zon beter belicht, waardoor deze steviger worden en minder vatbaar zijn voor infecties. Dit kan goed van pas komen als natuurlijke bescherming van de tros tegen aantasting door valse meeldauw en botrytis.
Kort gezegd: ontbladeren kan zorgen voor:
opbrengstvermindering
minder gevoeligheid voor ziekten en met name botrytis.
Vaak wordt gezegd dat door ontbladering de druiven eerder drogen na een regenbui. Dit mag worden betwijfeld. De meeste druiven hangen onder een een goed beschermende paraplu van druivenbladeren en worden bij een regenbui amper of niet nat. Wel zorgt blad ervoor dat ook eventuele spuitmiddelen minder goed op de trossen terecht kunnen komen, hoewel met een beetje druk en voldoende verneveling de trossen en bladeren best goed geraakt zullen worden.
Vergelijk het snoeien van druiven maar rustig met een kapper die bij ons af en toe het haar in model brengt. Afhankelijk van de wijze waarop de plant groeit en de manier waarop van nature de trossen worden gevormd, is een aangepaste snoeiwijze nodig.
Wil je naar hartelust blijven knippen, schaf dan vooral druiven als Maréchal Foch of Léon Millot aan. Wil je een niet te wilde groeier met mooie vrij hangende trossen: probeer de Golubok. Die geeft ook nog kleur aan de wijngaard.

  
RegentGolubok
Allebei niet ontbladerd, samen ieder jaar goed voor een mooie volle wijn (21 augustus 2011).

Spuiten en bloei

Gelukkig heeft iedereen zijn eigen ideeën over het bespuiten van druiven met gewasbeschermingsmiddelen en voedingsstoffen. Daar wil ik dan ook niet aan tornen. Maar over één ding zijn we het allemaal eens: we spuiten allemaal!
Er zullen maar heel weinig mensen zijn die niet af en toe met spuitzwavel in de weer gaan. Van het vroege voorjaar tot begin of halverwege augustus wordt dit middel met enige regelmaat toegepast.
Hebt u druiven die regelmatig een te grote oogst geven of dichte trossen vormen? Spuit ze dan tijdens de bloei. Door de misbloei die hierdoor ontstaat, worden de trossen losser en de opbrengst en kans op botrytis later in het jaar minder. Het is in ieder gaval zo dat u minder werk hebt met spuiten dan met bladdunnen in het voorjaar.

Wespen, vogels en vliegen

Waar vruchten zijn, worden ze gegeten. Of het nou Jantje is, die van de pruimen wilde plukken of Merijntje Gijzen die de vruchten uit de tuin van de pastoor wel aantrkkelijk vond, vruchten zijn altijd verleidelijk.
Met vogels, vliegen en wespen is dat niet anders. Deze beestjes helpen ons graag bij het verlichten van het oogstwerk, hoewel ze hun tijdstip meestal zelf uitkiezen en wel als de vruchten nog niet rijp zijn.
Door de wijngaard in te pakken onder een groot net, kun je de vogels een mooie hak zetten. Door zo’n net hebben zon en wind gewoon vrij spel en wordt het rijpingsproces niet beïnvloed. In grotere wijngaarden werkt dit natuurlijk niet, want het moet wel handelbaar blijven.
De zijbespanningsnetten die steeds vaker gebruikt worden en in de druivenzône langs de rijen worden gespannen, geven wel een druk op het blad waardoor dit langer nat zal blijven. Bij het gebruik van deze netten is het daarom wel zinvol om de druivenzône te ontbladeren omdat anders de trossen ook onnodig lang vochtig blijven na een regenbui.
Vliegen en wespen zijn we meestal kwijt wanneer het koeler gaat worden. De beestjes houden van warmte en zijn daarom vooral lastig bij de vroegrijpe druivenrassen, waarvan ze de bessen aanpikken met rotting als gevolg.
Veel mensen behangen daarom hun wijngaard met wespenvangers, die ze lekker vullen met een zoete limonade of iets dergelijks als lokstof. De wespen en vliegen vinden dit pure verwennerij en komen er massaal op af. Helaas zijn ze ook dol op de druiven en vruchten in de omgeving, dus: wil je wespen, hang dan een wespenvanger op! Succes verzekerd.
Hebt u last van wespen, probeer dan het nest op te sporen en laat dit uitroeien. Komen ze van elders, hang dan, in plaats van wespenvangers gehalveerde plastic flessen op met een laagje water erin en een bodempje kruidnagels. De beestjes blijven ver uit de buurt!

Tenslotte

Elk nadeel heb zijn voordeel. Bij al het werk dat we doen in de wijngaard en in de wijnmakerij is het goed om na te denken wat ervan de voordelen en eventueel mogelijke negatieve gevolgen ervan zullen zijn.

Auteur: Ton Lauret