Ons bindt de vriendschap en de wijn brengt ons vreugde

Zachte snoei 2

Zachte Snoei – waarom en hoe?

De ‘zachte’ snoeimethode voor de wijnstok die gepropageerd wordt door de Italianen Simonit & Sirch staat sterk in de belangstelling. In dit artikel niet alleen aandacht voor het waarom, maar vooral een poging het hoe toe te lichten.

Historie

Simonit en Sirch begonnen hun onderzoek naar betere snoeimethoden in de jaren tachtig van de vorige eeuw. Sinds ongeveer 2010 zijn ze er zeer bekend mee geworden. Echter, in wezen hebben zij iets ontwikkeld wat 100 jaargeleden ook al eens in de Franse Charente ontwikkeld is!

In 1921 publiceerde een zekere René Lafon een boek over het onderwerp. Uit het voorwoord blijkt dat het ook toen al ging om de levensduur van de wijnstok, de productiviteit en de vitaliteit ervan en het tegengaan van Esca, precies wat men vandaag de dag beoogt met zachte snoei.

Lafon voert in zijn boek een wijnboer op, Monsieur Poussard, die in het boek uitlegt waarom en hoe hij in de voorafgaande twintig jaar zijn snoeimethode ontwikkeld heeft. Lafon noemde daarom deze methode Guyot-Poussard. We noemen het in navolging van de Duitsers ‘zachte snoei’.

In zijn boek bekritiseert Lafon twee opvattingen die ook vandaag de dag nog gelden. In de eerste plaats de gedachte dat een snoeimethode zo eenvoudig mogelijk moet zijn. Dat verklaart de universele toepassing van de enkele en de dubbele guyotsnoei op alle witte soorten; eenvoudig, en altijd een gelijkmatige opbrengst. In de tweede plaats bekritiseert Lafon de opvatting dat wijngaarden  om de 20 tot 25 jaar vervangen moeten worden omdat de productie tegen die tijd teveel afneemt.

Afb. 1. Guyotstammen en hun doorsneden, resp. met en zonder blokkades. Lafon (1921).

Hij citeert bepaalde  klachten van wijnboeren en stelt daarbij zijn Guyot-Poussard-methode als oplossing voor. Hij zegt: ’De wijze van snoeien veroorzaakt wonden waardoor het inwendige verdroogt. Als de wonden groter worden, zal de plant onvermijdelijk afsterven’. En: ‘De onderstam van afgestorven planten produceert steeds opnieuw waterscheuten; een teken van vitaliteit en een mogelijkheid om de plant opnieuw de enten’. Hieruit blijkt volgens Lafon de directe relatie tussen de wijze van snoeien en het vervallen van de wijnstok. Lafon concludeerde dat wanneer de onderstam gezond blijft, het aan de gesnoeide armen en scheuten moet liggen dat de vitaliteit van de wijnstok schade ondervindt. Lafon/Poussard illustreerde deze stelling met tekeningen. Zie Afb. 1 voor een voorbeeld van Lafon uit 1921.

Kort en goed, Lafon en Poussard zijn ervan overtuigd dat de snoeiwijze verantwoordelijk is voor het in verval raken van de wijnstokken. Als er dan nog een ziekteverwekkende schimmel bijkomt, is het probleem kompleet.

Maar dan is er in die tijd ineens een oplossing: natriumarseniet, een destijds nieuwe chemische stof. Hij blijkt de wonderbaarlijke eigenschap te hebben de apoplexie (groeistop) te beperken. Het middel krijgt voet aan de grond en Poussard en Lafon raken in de vergetelheid. Alleen in de Charente bleef men de Guyot-Poussardsnoei  toepassen.

Simonit & Sirch

Afb. 2. Links stamkop zonder blokkades, rechts met blokkades (de lichtgekleurde delen).

In 2010 hebben Simonit en Sirch het boek van Lafon ontdekt. Hun boodschap is dezelfde: zodanig snoeien dat de sapstromen intact blijven. Het vroegtijdig afsterven van wijnstokken is te wijten aan een verminkende manier van snoeien en aan de aldus vergemakkelijkte toegang voor ziekmakende schimmels. In de eerste jaren na de aanplant wordt er gesnoeid op een manier die de groei van de wijnstok ondersteunt. Daarna wordt de snoeiwijze veranderd, afhankelijk van het draadsysteem en de plantdichtheid. Scheuten worden nu afgesnoeid, of men wil ze juist enige tijd op dezelfde plaats laten zitten. Dit heeft grote gevolgen voor de stam van de plant; deze wordt verzwakt, waarmee de vervroegde veroudering reeds  haar intrede doet. De illustraties van stamdoorsneden laten zien hoe snoeiwonden een interne verdroging van het hout kunnen veroorzaken en zo de sapstroom kunnen hinderen.

Als de kop van een wijnstok niet verder mag uitgroeien (zoals in het guyotsysteem) concentreren de snoeiwonden en de bijbehorende inwendige verdrogingen zich op een beperkte plaats, een opeenhoping van dood hout vormend. De sapstroom wordt voortdurend beïnvloed door nieuwe snoeiwonden en wordt daardoor onregelmatig, tot hij in het ergste geval onderbroken wordt, waardoor de plant afsterft.  Maar voordat het zover is, kan de veranderde blad-vruchtverhouding en de veranderde verhouding kwaliteit – kwantiteit al aanleiding vormen hele wijngaarden te rooien.

Geen blokkades oprichten, maar aftakkingen maken van de sapstroom

De zachte snoeiwijze leidt tot een uiterlijke vorm van de wijnstok die sterk afwijkt van wat er ontstaat bij de gebruikelijke snoeiwijzen van guyot en cordon. Bij deze laatste concentreren de snoeiwonden en de bijbehorende inwendige verdrogingen zich min of meer op dezelfde plekken op de stamkop respectievelijk de legger (het cordon), wat, zoals hiervoor al gezegd, op den duur leidt tot blokkades van de sapstroom. In de zachte snoeiwijze wordt ervoor gezorgd dat de onvermijdelijke verdrogingen steeds  op enige afstand van elkaar komen te zitten, zodat er tussen alle snoeiwonden en verdrogingen levend hout blijft bestaan. Op die manier wordt er voor de sapstroom steeds een nieuwe aftakking gemaakt, in plaats van dat er gewerkt wordt aan het opwerpen van blokkades. Die aftakking geeft de sapstroom de ruimte en dat zie je terug in de eigenaardige vorm die de zachtgesnoeide wijnstok op den duur aanneemt.

Het vormen van de inwendige aftakkingen is wat er in de Italiaanse en Duitse artikelen bedoeld wordt met ramificazione respectievelijk Ramifikation. Letterlijk betekent het ‘takvorming’. Dit begrip slaat niet op de scheuten (takken) van de wijnstok, noch op het uiterlijk van de kop, zoals in Duitse artikelen gesuggereerd wordt, maar op de inwendige sapvoerende cellen welke een doorgaande sapstroom garanderen. Vergelijk het met de aftakkingen van de waterleiding in je huis: aftakkingen naar de keuken, de badkamer enz.

Strik genomen zou de zachte snoei al toegepast dienen te worden bij het veredelen van de wijnstokken in de Rebschule, anders worden er bij het enten en opkweken al blokkades aangelegd!

Afb. 3. Illustratie van Simonit van de gevolgen van het ontbreken van ruimte voor de sapstromen door de dicht op elkaar liggende indrogingen. De scheuten krijgen onvoldoende voeding.

Afb. 4. Illustratie van Simonit van het geven van ruimte aan de sapstromen. Dit leidt op den duur tot de aparte vorm van de plant.

Uitgangspunten bij het snoeien

Het grondbeginsel van de zachte snoei is dat uitsluitend één- en tweejarig hout afgesnoeid wordt. De wijnstok kan grote snoeiwonden niet door callusvorming bedekken, zoals bijvoorbeeld vruchtbomen wel kunnen. Daarom mogen de snoeiwonden niet te groot worden. De ervaring heeft geleerd dat snoeiwonden in jong hout goed indrogen en ook geen gevaar opleveren voor binnendringende schimmels en bacteriën.

Bij het snoeien wordt de nieuwe vruchtdragende scheut geselecteerd; dat is in principe altijd de scheut die uit het okseloog van de stift van het vorige jaar komt. Dat geeft de beste aansluiting op de sapstroom. Daarna wordt aan de tegenoverliggende kant van de kop een stift gemaakt. De kop bevat altijd minstens een vruchtdragende scheut aan de ene kant en een lange stift aan de andere kant. Het doel hiervan is om in de gehele kop de sapstroom in stand te houden. Stiften en vruchtdragende scheuten zitten links en/of rechts steeds aan dezelfde groeikegel; met de diktegroei van de plant ontstaat zo in de loop van de jaren de kenmerkende T- of V-vormige kop. De ogen die gebruikt worden voor nieuwe scheuten zitten liefst aan de zijkant van de stiften, zodat de kop zoveel mogelijk horizontaal uitgroeit, en niet vertikaal. En het is binnenin deze kop dat zich de aftakkingen vormen (ramificazione/Ramifikation).

Afb. 5. In het tweede jaar wordt de scheut die goed in de sapstroom ligt, overgehouden. Links vóór, rechts na de snoei.

De in een vorig jaar gemaakte stiften kunnen wat bijgesnoeid worden. Stiften worden in eerste instantie tamelijk lang gelaten, zodat ze veilig kunnen indrogen zonder blokkades te vormen.

Bij het planten en bij het uitbreken of afsnoeien van jonge scheuten daarna moet al rekening gehouden worden met het laten ontstaan van een goede, doorgaande sapstroom vanuit de wortels. Tenminste één scheut moet uit het hout boven de ent komen zoals de kweker van de Rebschule de plant heeft afgeleverd. Zie afbeelding 5.

Bij de wintersnoei worden zwakgroeiende planten tot op twee ogen teruggesnoeid. Men dient erop te letten dat de stift niet door snoeiwonden en indrogingen gehinderd wordt, en dus goed ‘in de sapstroom staat’. Sterk groeiende planten worden vlak boven de onderste draad afgesnoeid.

 

Afb. 6. Het vormen van de toekomstige ‘uitgangen’. De vruchtdragende scheut zit altijd hoger dan de stiften. Links: voor de snoei; rechts: erna.

Bij het uitbreken van jonge scheuten in de zomer worden de bovenste vier scheuten gespaard, zoals ook traditioneel gebeurt. Bij de erop volgende wintersnoei wordt de bovenste scheut de vruchtdragende scheut. De onderste twee scheuten worden tot op twee of drie ogen teruggesnoeid; zij vormen de zgn. uitgangen (uscsite resp. Ausgänge). Ideaal gesproken staan deze op gelijke hoogte, maar dat hangt af van de soorteigen internodiale afstand. Nb bij deze illustratie wordt jammergenoeg niet toegelicht waar de onderste van de vier scheuten blijft. Zie afbeelding 6.

Bij het uitbreken in het voorjaar moeten alle scheuten aan deze uitgangen blijven zitten. Bij de erop volgende wintersnoei wordt dan aan de ene kant van de kop voor het volgende jaar een nieuwe stift gemaakt boven de af te snoeien vruchtdragende scheut, en wel aan de stift die uit het eerste oog vanaf de stam komt. Aan de andere kant van de kop worden de onderste scheuten afgesnoeid tot stiften en de bovenste wordt de nieuwe vruchtdragende scheut. Vruchtdragende scheuten staan altijd boven de stiften. Zie afbeelding 7.

De vruchtdragende scheut hoeft niet altijd aan dezelfde kant van de kop te komen. Wel worden aan beide kanten van de kop steeds stiften gemaakt. Zie afbeelding 8.
Ook moeten stiften en vruchtdragende scheuten aan beide kanten zoveel mogelijk op gelijke hoogte zitten, om een horizontale diktegroei van de kop te verkrijgen. Dan is verjongingssnoei nooit nodig. Men kan ook werken met twee vruchtdragende scheuten; in dat geval worden aan beide kanten van de kop stiften gemaakt en vruchtscheuten gespaard. In het geval van cordonsnoei werk je met hele korte stiften.

 

Afb. 7. Door de ogen van de stiften te laten uitlopen, wordt de horizontale groeiwijze bevorderd. De eerste aftakkingen van de sapstroom zijn zo gevormd. Links: voor de snoei; rechts: erna.

Afb. 8. Na vijftien jaar zachte snoei. Er wordt altijd bóven vruchtdragende scheuten en stiften gesnoeid. De sapstroom wordt dan niet gehinderd door ingedroogde snoeiwonden. Links: voor de snoei;; rechts: erna.

Ombouwen van wijnstokken

Afhankelijk van de ouderdom, de soort en de groeikracht zijn er uiteenlopende situaties waarin men kan proberen een overgang te maken naar de zachte snoeimethode. Vanuit deze methode bezien zijn er dan stokken gegeven ‘zonder uitgang’, ‘met één uitgang’ en ‘met twee uitgangen’.

Bij stokken zonder uitgangen moet er bij het uitbreken in de zomer gekeken worden of er onder bestaande indrogingen in de buurt van de kop een paar scheuten uitlopen die in de volgende wintersnoei tot stiften gesnoeid kunnen worden. Zo worden er twee uitgangen gemaakt die in de sapstroom liggen en niet meer gehinderd worden door oude indrogingen hogerop. In dit voorbeeld wordt dan als vruchtdragende scheut diegene gekozen die (als eerste) op de tweejarige boog of strekker zit. De stok wordt dan wel wat hoger, maar dat kan later hersteld worden, wanneer de nieuwe uitgangen gebruikt kunnen gaan worden.

Als er een in de sapstroom liggende, en dus goed gepositioneerde vruchtdragende scheut aanwezig is, kan deze in de winter tot op twee ogen teruggesnoeid worden. Daarmee is de basis gelegd voor een eenzijdige uitgang zonder belemmeringen in de sapstroom. De stok kan verder opgebouwd worden zoals hiervoor is beschreven.

Bij stokken met twee goed gepositioneerde scheuten kan men op dezelfde manier tewerk gaan.

Ook bij stokken waarbij grote delen verwijderd zijn (na verjongingssnoei) kan men een uitloper onder de snoeiwond gebruiken om er ‘swinters een uitgangsstift van te maken en in volgende jaren vanuit deze stift verder te werken volgens de methoden die hiervoor beschreven zijn. Tenslotte kan de methode toegepast worden op stokken die na een Escasanering geheel opnieuw opgebouwd moeten worden.

Literatuur

Voor dit artikel zijn de volgende artikelen geraadpleegd:

  1. Das Deutsche Weinmagazin, 19. Dezember 2015, Ein ganzheitlicher Ansatz aus Italien.
  2. Das Deutsche Weinmagazin, 16. Januar 2016, Rebschnitt vor der Revolution?
  3. Die Winzer Zeitschrift, Januar 2016, Die ‘sanfte art’ Reben zu schneiden.
  4. Fruitteeltnieuws, 6 maart 2015, De zachte snoei.

 

Vertaling en bewerking: PS, maart 2016