Ons bindt de vriendschap en de wijn brengt ons vreugde

Johanniter en Solaris

De druivensoorten Johanniter en Solaris

Inleiding

Dit artikel beschrijft de ervaring met de druivensoorten Johanniter en Solaris opgedaan in het onderzoeksinstituut Wadenswill in Zwitserland. Omdat de klimatologische omstandigheden vergelijkbaar zijn met die van ons, zijn de onderzoeksresultaten interessant voor alle wijnbouwers in koelere klimaatgebieden. 

Resultaten en observaties

Hoewel Johanniter en Solaris minder gevoelig zijn voor schimmelziekten, kunnen deze nog altijd optreden. Johanniter bleek iets gevoeliger voor valse meeldauw, met name in jaren met een grote infectiedruk (zie tabel 1). De druiven blijven hierbij redelijk onbeschadigd. Beide soorten bleken redelijk ongevoelig voor echte meeldauw. Solaris was redelijk ongevoelig voor beide soorten meeldauw, maar bleek wel gevoelig voor botrytis, met name gedurende natte perioden in september wanneer de druiven rijp zijn en de loofwand nog dicht is, waardoor de druiven moeilijker drogen.

Tabel 1. Gevoeligheid voor schimmelziekten volgens de OIV-schaal (lopend van van 1-9(hoog)1))
(Wadenswill, 1995-2001)

Soort

Jaar

Valse meeldauw (blad)

Valse meeldauw (druif)

Echte meeldauw (blad)

Echte meeldauw (druif)

Botrytis

Johanniter

Min.
Max.
Gemiddeld

1,0
6,5
5,0

1,0
2,0
1,0

1,0
3,0
1,0

1,0
1,5
1,0

1,0
2,5
1,0

Solaris

Min.
Max.
Gemiddeld

1,0
4,0
3,0

1,0
1,0
1,0

1,0
1,5
1,0

1,0
2,5
1,0

3,0
7,0
5,0

Bij de Johanniter wordt geadviseerd om niet zonder meer te spuiten, maar eerst het risico op schimmelziekten in de eigen wijngaard vast te stellen. In het geval van grote infectiedruk zullen 1 tot maximaal 3 behandelingen tegen valse meeldauw nodig zijn. Er wordt aangeraden om dit te doen net voorafgaand aan en aan het einde van de bloei en bij het sluiten van de trossen.

Opbrengst en wijnkwaliteit

Tabel 2 toont de opbrengst en de mostkwaliteit gedurende verschillende jaren. De eerste opbrengst in 1996 was klein omdat de jonge stokken door een hevige hagelbui een groeiachterstand hadden opgelopen. Bij de Solaris ging in de jaren 1998 en 2000 een deel van de oogst verloren door rot.

Tabel 2. Opbrengst en mostkwaliteit
(Wadenswill, 1995-2001)

Soort

Jaar

Oogstdatum

Oprengst
(kg/m2)

oOe

Zuurgraad (g/l)

pH

Johanniter

1996
1997
1998
1999
2000
2001
gem.

24 okt.
20 okt.
15 okt.
20 okt.
23 okt.
1 nov.

0,386
1,329
1,025
1,193
1,174
0,656
0,961

75,6
76,4
87,6
81,1
66,3
83,0
78,3

11,18
9,08
8,23
8,45
7,96
10,03
9,16

2,99
3,09
3,04
3,07
3,43
3,01
3,11

Solaris

1996
1997
1998
1999
2000
2001
gem.

1 okt.
1 okt.
21 sept.
15 sept.
14 sept.
2 okt.

0,579
1,008
0,679
1,029
0,600
0,953
0,808

96,5
96,2
98,3
96,1
103,1
93,0
97,2

9,81
7,92
7,12
9,33
6,23
8,00
8,07

2,95
3,07
3,19
3,14
3,35
3,31
3,17

Johanniter bereikte inWadenswill niet een optimale alcoholische rijpheid, terwijl dat de Solaris met hoge Oechsle waarden wel lukt. De zuurgraad is hoog, maar acceptabel. De pH-waarden duiden wel op een voldoende fenolische rijpheid.

De resulaten m.b.t. de kwaliteit van de wijn zijn gebaseerd op een standaard vinificatieschema, waarbij de druiven direct na oogst werden geperst en gezwaveld en werden aangesuikerd zodat een alcoholpercentage van 11% zou worden bereikt. De vergisting vond plaats met de gistsoort W15 en duurde 10 tot 14 dagen bij een temperatuur van 18-20oC. Vervolgens werd een biologische zuurafbouw toegepast (met EQ54).

Een van van de eerste bevindingen was dat bij Johanniter en Solaris minder kaliumdisulfiet hoefde te worden toegevoegd om een stabiele hoeveelheid vrije SO2 te bereiken dan bij traditionele druivensoorten, zoals de Muller-Thurgau.

Bij Johanniter is een trosdunning nodig voor een goede wijnkwaliteit, omdat deze soort tot drie trossen per scheut geeft, terwijl de groeikracht slechts gemiddeld is. De geadviseerde opbrengst zou tussen de 0,7 en 1,0 kg/m2 moeten liggen (met maximaal 1,5kg/stok), bij een mostgewicht van 85 tot 92 Oechsle2). De wijn van de Johanniter heeft een fruitig bouquet met grapefruit aroma’s dat lijkt op de Riesling3). Voor in de mond neemt men een duidelijke en pittige structuur waar. In de afdronk vind men een klein bittertje.

De Solaris is zeer vroeg rijp, waardoor deze geschikt is voor minder gunstige locaties (wat als extra voordeel heeft dat een latere oogst minder gevoelig is voor wespenvraat). De groeikracht is groot. Laat in de zomer hebben de scheuten de neiging te gaan hangen i.p.v recht omhoog te groeien, wat een dichtere loofwand en langzamer drogen van de trossen tot gevolg heeft. Er wordt aangeraden om een grotere plantafstand toe te passen en te richten op een opbrengst tussen de 0,7 en 1,0 kg/m2, bij een mostgewicht van 95 tot 110 Oechsle. De wijn van Solaris wordt omschreven als karaktervol, licht fruitig, soms iets aards en in vergelijking met Johanniter als neutraler. Vaak vind men een licht annanas aroma. De wijn heeft in het algemeen een mooie struktuur en volheid, ondersteund door voldoende zuur en met soms te hoge alcoholwaarden. Deze kenmerken maken het een goede soort om te mengen met andere wijnen, zoals die van de Johanniter. Maar het is ook mogelijk om Solaris als cepage, of zelfs tot dessertwijn te verwerken.

Voetnoten:

  1. Beschreven in het artikel “Descriptor list for grapevine varieties and Vitis species, Office International de la Vigne et du Vin (OIV) (1983)”
  2. Ervaring Steenen Beer (Hulten, midden Noord-Brabant, NL): bij de oogst van 60 stokken johanniter op 5 oktober 2009 in noteerden we een opbrengst per stok van gemiddeld 2,6 kg (1,2 kg/m2 bij een plantafstand van 1.80m x 1.20m), Oechsle 78, pH 3,14 en zuurgraad 8,9 gr per liter.
  3. Bij de proeverij van jonge wijnen 2009 (BWB, 12 december 2009), werden door ons ook aroma’s van groene appel (Granny Smith) en citrus genoteerd.

Bron: Die Deutschen Rebsorten Johanniter, Solaris, Bronner und Fr.242-73 door Basler, Pfenninger & Bill, Schweiz. Z. Obst-Weinbau (17 2002)

Vertaling: BvH, Brabantse Wijnbouwers