Ons bindt de vriendschap en de wijn brengt ons vreugde

Valse meeldauw

8.1 Valse meeldauw

De schimmel valse meeldauw – plasmopara viticola – komt in alle wijnbouwlanden voor en kan grote schade aanrichten. Vaak begint de aantasting al vroeg in het seizoen en kan dan diverse opeenvolgende infecties geven. De eerste valt wel mee, maar de secundaire – en latere infecties kunnen in een rap tempo de hele wijngaard aantasten. Als de trossen eenmaal geïnfecteerd zijn, is de opbrengst voor dat jaar verloren.

8.1.1 Levenswijze

De schimmel plasopara viticola (ook wel peronospora genoemd) overwintert in afgevallen blad en trossen. Ook in nog hangende steeltjes (vergeten of door vogels aangevreten trossen) kunnen de sporen overwinteren. Het is dus belangrijk om zoveel mogelijk aangetaste bladeren en trossen op te ruimen. Dit verkleint de kans op nieuwe infecties in het voorjaar. De sporen kunnen overigens jaren in de grond aanwezig blijven en tot 10 jaar later nog voor een nieuwe besmetting zorgen. Een milde, natte winter zorgt ervoor dat de sporen goed ‘rijpen’ en in april tot ontkieming kunnen komen. 

Fig. 1: De infectiecyclus van valse meeldauw (figuur uit diseases and pests, bewerkt).

 
Levenscyclus Peronospora

Het tijdstip waarop de sporen tot kieming kunnen komen, is globaal te bereken. Dit doe je door de gemiddelde dagtemperatuur verminderd met 8 °C te sommeren vanaf 1 januari. Indien deze temperatuursom de 160 – 170 °C bereikt, zijn de sporen in staat om te ontkiemen. Dan moet wel aan de bepaalde voorwaarden worden voldaan. Zo hebben ze veel regen (>10 mm) en een temperatuur van minstens 10 °C nodig om goed tot ontwikkeling te komen. Ze vormen op de grond uitsteeksels waarop de nieuwe verse sporen ontstaan. Omdat de schimmel alleen op druiven kan leven, moeten de sporen daarop terecht zien te komen en wel op natte bladeren om zich te verplaatsen. Dit gebeurt door regenval in combinatie met wind. Door de spetters worden de sporen in de lucht gebracht en de wind zorgt voor het verdere transport.

Dus de voorwaarden voor een primaire besmetting zijn:

 

Tg > 10 °C

Regensom > 10 mm

Regen valt gedurende 48 uur of meer

 

 

 

 

We noemen dit ook wel de 10 – 10 – 48 voorwaarde.

Eenmaal op een druivenblad aangekomen, gaan de sporen letterlijk aan de wandel om de huidmondjes te bereiken. Dit zijn de enige plekken waar ze gemakkelijk het blad kunnen binnendringen. De sporen groeien in het blad verder uit en dit wordt na verloop van tijd aan de bovenkant van het blad zichtbaar door de zogenaamde ‘olievlekken’. Deze olievlekken zijn alleen zichtbaar bij jonge bladeren omdat de schimmel in het blad de nerven nog kan overgroeien. Later in het seizoen wanneer de bladeren verder ontwikkeld zijn en de nerven stevigheid hebben, lukt dit niet meer. Het schimmelweefsel wordt dan door de nerven scherp begrensd en krijgen we een mozaïekpatroon te zien.
De tijd tussen het binnendringen van de schimmel in de huidmondjes – de besmetting – en het zichtbaar worden van de olievlekken – de uiterlijke kenmerken – wordt de incubatietijd genoemd. Hierover later meer.

Nadat de schimmels in het blad uitgegroeid zijn, vormt zich na een aantal dagen een witte schimmel aan de onderzijde van het blad; de schimmel komt weer door de huidmondjes naar buiten en heeft zich sterk vermeerderd. Ook dit gebeurt onder bepaalde omstandigheden. Allereerst moeten de olievlekken helemaal tot ontwikkeling gekomen (gerijpt) zijn. Wordt de ontwikkeling van de olievlekken in een vroeg stadium door bestrijdingsmiddelen geremd, dan stopt de vermeerdering. De temperatuur moet minstens 12,5 °C zijn, de relatieve vochtigheid 95 % of hoger en er moet voor minstens vier uur geen licht aanwezig zijn. Het witte schimmelpluis komt dus ‘s nachts naar buiten. In de zomer betekent dit tussen 10 uur ‘s avonds en 4 uur ‘s morgens.
Al deze voorwaarden werken evenredig door op de sporenvorming; hoe hoger de temperatuur en vochtigheid, des te meer nieuwe schimmelsporen er ontstaan. Nu zijn er zeer veel nieuwe sporen beschikbaar die bovendien al in de loofwand zitten en gemakkelijk omringende bladeren kunnen besmetten. Een tweede besmetting is het gevolg die vele malen sterker is dan de primaire infectie. Voorwaarde is dat er vloeibaar water aanwezig is, dit kan in de vorm van regen maar ook als dauw in de ochtend bijvoorbeeld. De voorwaarde voor de secundaire infectie wordt ook wel aangeduid met een “blad – temperatuur – natheid’. Het product van de temperatuur en het aantal uren dat de bladeren nat zijn, moet meer dan 50 °C uur bedragen. Dit betekent dat bij een hogere temperatuur de natte periode korter kan zijn.
Je snapt het al, door veelvuldige nieuwe infecties gaat het zo verder en kan de schimmelaantasting zo ernstig worden dat de oogst volledig mislukt.

8.1.2 Zichtbare aantasting

Naast jonge bladeren worden scheuten, bloesem, bessen en trossen aangetast. Omdat de schimmel door de huidmondjes naar binnen gaat, moeten deze wel aanwezig zijn. Dit betekent dat de bladeren groter dan ca. 2 cm moeten zijn, wil de schimmel naar binnen dringen. Bij het uitlopen van de ogen is er dus nog geen gevaar. Ook voor de bessen geldt iets dergelijks. Een vroegtijdige besmetting bij een jonge bes zorgt ervoor dat de schimmel wel naar binnen kan, maar niet meer naar buiten. Dit veroorzaakt het bekende blauwkleuren en verschrompelen. Vanaf het moment dat de rijping (verraison) begint en de bessen gaan kleuren en zachter worden, gaan de huidmondjes verkurken waardoor de schimmel niet meer de bes kan indringen. Het ergste gevaar voor de trossen is dan geweken. Wel kunnen nog steeds bladeren aangetast worden die afsterven en afvallen. Dit heeft een natuurlijk een negatieve invloed op de rijping vanwege de verminderde fotosynthese. Er moeten immers genoeg gezonde bladeren overblijven.
De aantasting op bloemen, bessen en jonge scheuten is te herkennen aan witte schimmel die duidelijk het karakter van omhoog staande sporen heeft.

 


Fig.1. Aantasting van bloemtros.

Fig.2. ‘Olievlekken’ op bovenzijde van blad.

Fig.3. Verder ontwikkelde aantasting bij oudere bessen.

Fig.4. Aantasting van volwassen blad. 
 

Bij sommige schimmeltolerante rassen zien we aan het eind van het seizoen pas een aantasting van valse meeldauw. Jonge bladeren en ook wel oudere bladeren krijgen de karakteristieke verschijnselen; de trossen zijn er bijna rijp en lopen geen gevaar meer. Na de oogst kun je dan de aangetaste bladeren verwijderen om te voorkomen dat de sporen kunnen overwinteren op de bodem.

8.1.3 Incubatietijd

Er bestaan grafieken en tabellen om de incubatietijd te berekenen. Dit is van belang omdat je na een eventuele besmetting zo snel mogelijk moet spuiten, nog voor de schimmels de kans krijgen om sporen aan de onderkant van het blad te vormen. De incubatietijd is afhankelijk van de temperatuur en de incubatiekalenders zijn gebaseerd op de gemiddelde langjarige temperatuur in het seizoen. Dit betekent dat er geen rekening wordt gehouden met de op dat moment misschien afwijkende weersomstandigheden.

 

Tabel 1: Rijpingsfactoren
Tgem rijpingsfactoren
13 oC 9
14 oC 10
15 oC 12
16 oC 13
17 oC 14
18 oC 16
19 oC 18
20 oC 20
21 oC 21
22 oC 24
23 oC 25
24 oC 25
25 oC 25

Daarom is het veel beter om na een vermoedelijke besmetting de gemiddelde dagtemperatuur en de voorspelde temperaturen voor de komende dagen op te zoeken op teletekst, het KNMI, internet, de weertelefoon, noem maar op.
Aan elke temperatuur is een rijpingsfactor gekoppeld omdat de incubatietijd bij hoge temperaturen veel korter is dan bij lage. Door de rijpingsfactoren behorende bij de dagelijkse temperaturen op te tellen, wordt de incubatietijd bereikt bij een som van 100.
Dit zullen we even aan de hand van een voorbeeld illustreren:

 

15 mei Gemiddelde temperatuur 13 °C, langdurige regen, een besmetting ligt voor de hand Rijpingsfactor
16 mei Tg = 14 °C 10
17 mei Tg = 14 °C 10
18 mei Tg = 16 °C 13
19 mei Tg = 18 °C 16
20 mei Tg = 16 °C 13
21 mei Tg = 20 °C 20
22 mei Tg = 20 °C 20
totaal 102
Tabel 2. Incubatietijd afhankelijk van gemiddelde dagtemperatuur

 

 

 

 

 

 

 

 

Op 22 mei is een som van 102 bereikt en moet de besmetting zichtbaar zijn. Vanaf die dag zullen de eerste olievlekken te vinden zijn. Het is dan belangrijk om hiervoor de bespuiting uit te voeren, zodat de olievlekken niet goed tot ontwikkeling kunnen komen en er geen nieuwe sporen gevormd worden.

Blijft het weer nu mooi en vindt je weinig sporen aan de onderkant van aangetaste bladeren, dan is de eerste secundaire besmetting ingedamd. Nu blijf je de weersontwikkelingen volgen totdat de voorwaarden 10 – 10 – 48 opnieuw optreedt. Dus bij de volgende langdurige, flinke regenperiode kan er weer een besmetting optreden. Je volgt dan weer dezelfde procedure; je rekent de incubatietijd uit en voert voor dat deze tijd om is een volgende bespuiting uit.

Dus de strategie is als volgt:
Wacht tot aan de voorwaarde 10 – 10 – 48 is voldaan en spuit dan zo snel mogelijk. De ontwikkeling van de olievlekken zal bij een effectieve bespuiting nagenoeg achterwege blijven. Door de incubatietijd uit te rekenen weet je wanneer je extra goed naar olievlekken moet speuren. Dit is een goede controle op de effectiviteit van de bespuiting.
Kijk vooral op plekken waar de grond normaal gesproken langer nat blijft, zoals in schaduw – of lager gelegen gedeelten. Kijk bij voorkeur wanneer de zon hoog aan de hemel staat; de vlekken vallen dan het best op. Bij grote wijngaarden is het handig om met twee mensen aan weerszijden langs de rijen te lopen. Merk de plek waar je eventueel een olievlek tegenkomt en verwijder het aangetaste blad. Keer een paar dagen later terug en kijk of er uitbreiding is opgetreden.

Wanneer je twijfelt of bepaalde bladeren aangetast zijn door valse meeldauw kun je de volgende test uitvoeren:
Neem een handvol verdachte bladeren en doe die in een plastic zak die licht vochtig gemaakt is. Bind de zak dicht en leg die in het donker weg bij een temperatuur van bij voorkeur 20 °C maar zeker meer dan 13 °C. Bij een werkelijke infectie zullen er na verloop van tijd witte schimmelsporen aan de onderkant verschijnen.

Als spuitmiddel voor valse meeldauw werd van oudsher een kopersulfaatoplossing gebruikt. Koper is echter een zwaar metaal en hoopt zich op in de bodem. Vandaar dat de regeringen in de wijnbouwlanden dit aan banden heeft gelegd. Koper is in Nederland niet meer toegestaan.
Als preventief en curatief middel is kaliumfosfiet of natriumfosfiet goed te gebruiken. Let op; bij gebruik van kaliumfosfiet is het aan te bevelen om ook bitterzout toe te voegen, omdat een extra dosis kalium ook een extra dosis magnesium vereist, omdat deze twee stoffen niet alleen in voldoende mate (abolute hoeveelheid), maar ook in een relatieve mate (in verhouding met elkaar) aanwezig moeten zijn!